Betrouwbaar onderzoek. Onderzoekscommissie WODC I inzake deugdelijkheid drugsonderzoeken

Bas Haan berichtte via Nieuwsuur op 6 december 2017 dat rapporten van het wodc (Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatie Centrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid) door ambtenaren van het Ministerie van JenV zouden worden bijgestuurd. Desgevolgs heeft JenV Minister Grapperhaus drie WODC-commissies in het leven geroepen. Nieuwsuur gebaseerde zich mede op een anonieme klokkenluidersbrief, interne meldingen over vermeende beïnvloeding zijn buiten haar toedoen in de media gekomen, nrc 1-11-2018, nos/nieuwsuur 31-10-2018 en nrc over 'Rijksambtenaren onder druk gezet om niet integer te handelen' op 12-11-2018. 

Het wodc is een belangrijk instituut voor het justitieel en veiligheidsbeleid. Het staat voor feitelijk onderbouwd wetenschappelijk onderzoek waarop de minister een deel van zijn beleid baseert en waarbij op basis daarvan de Tweede Kamer wordt geinformeerd. Mede vanwege deze positie wordt het wodc met regelmaat door externe commissies ge-audit. Ondanks deze audits blijkt via de aandacht in de media dus wel ‘politieke sturing’ en ‘contextualisering’ te hebben plaatsgevonden bij rapporten betreft het Nederlandse drugsbeleid. 

Het gaat in dit geval om drie onderzoeken met rapporten die ten grondslag hebben gelegen aan: 
- Het Besloten club- en het Ingezetenencriterium voor coffeeshops 
- H
et rapport Coffeeshops, toeristen en lokale markt en
- Het rapport Internationaal recht en cannabis I

Een commissie heeft de afhandeling van de klokkenluidersmelding onderzocht. Een commissie brengt de positie van het WODC t.o.v het Ministerie van Justitie en Veiligheid in kaart. De andere commissie die in opdracht van Ferd Grapperhaus is aangesteld heeft drie rapporten inhoudelijk bekeken op toetsing aan wetenschappelijke normen, wat heeft geresulteerd in het rapport “Betrouwbaar Onderzoek, inzake de deugdelijkheid van drugsonderzoeken”.
Deze commissie (WODC I) is samengesteld uit voorzitter mr. Jaques Overgaauw is voorzitter en de leden mevrouw prof. dr. G.J.L.M. Lensvelt-Mulders en de heer prof. mr. dr. E.F. ten Heuvelhof. Mevrouw drs. N.H.J.M. Huppertz mpm is secretaris. De commissie is dus expliciet niet ingesteld om in te gaan op de koers van het Nederlandse drugsbeleid; ‘Het huidige coffeeshopbeleid is de polder-uitkomst van een Nederlandse politieke discussie die op twee benen hinkt: het toelaten van kleine hoeveelheden cannabis in bezit en koop en verkoop (ook wel aangeduid als gedogen aan de voordeur), maar inkoop door de coffeeshophouder vervolgen (niet-gedogen aan de achterdeur). Daarmee is de discussie echter niet beëindigd.
Enerzijds zijn er partijen die vasthouden aan een lijn van minder tolereren en gedogen. Anderzijds zijn er voorstanders van een beleidslijn van juist meer gedogen, decriminaliseren en legaliseren. Het drugsbeleid is daardoor niet stabiel; het beweegt mee met politieke (meerderheids-) marges’.

Meer specifiek is de commissie gevraagd te bezien of:

  1. De samenvattingen van de rapporten een correcte en volledige weergave zijn van de resultaten in de rapporten volgens de standaarden voor beleidsonderzoek die destijds golden; 

  2. De conclusies in de rapporten worden gedragen door de onderzoeken; 

  3. De rapporten tot stand zijn gekomen volgens de standaarden voor beleidsonderzoek die destijds golden, en 

  4. Te beoordelen of in de totstandkoming van de rapporten in de ruimste zin, 
in ieder geval in het proces van opdrachtformulering, de keuze van de methodologie, de uitvoering en begeleiding, sprake is geweest van onbehoorlijke beïnvloeding die de onafhankelijkheid van de onderzoekers heeft aangetast. 


De commissie: ‘onderzoekers vermelden dat zij artikel 31 en artikel 32 van het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht voor de uitleg van de drugsverdragen tot uitgangspunt hebben genomen bij voorbereidingsfase mbt onderzoek naar internationaal rechterlijke aspecten t.a.v regulering van de teelt, maar dat er naar hoe het de commissie voorkomt niet duidelijk maken waarom artikel 32 onderdeel b van genoemd verdrag geen opening biedt’ (vrij vertaald naar p.87). Er blijkt qua opdrachtkader verschil te staan tussen formuleringen van het wodc die uitgaat van ruimte bij internationale verdagen en JenV die wil dat het gaat om toetsing van internationale verdagen i.v.m de onderzoekofferte aangezien de Tweede kamer hierbij om een onderzoek heeft gevraagd bij een AO Coffeeshops (op initiatief van Myrthe Hilkens van de PvdA-fractie, red). Justitie als opdrachtgever heeft een voorkeur voor het Asser Instituut als opdrachtnemer terwijl het WODC over de offertes gaat en die ziet een betere offerte vanuit de Radboud Universiteit, waarbij het onderzoekkader wel verengd dient te worden en geen acht te slaan op mensenrechten-optiek. (nadien gebeurd dat bij WODC II vanuit opdrachtkader van de VNG alsnog in mei 2016).

In de oorspronkelijke offerte bij dit onderzoek stelt de commissie stond de volgende passage: “Tot slot verdient opmerking dat ook het internationaalrechtelijke mensenrechtenperspectief enige relevantie heeft. Zo overweegt de Speciaal VN Rapporteur voor Recht op Gezondheid Anand Grover dat de staten een op ‘harm-reduction’ (schadebeperking) gebaseerde benadering met betrekking tot drugsregulering moeten aannemen die meer adequaat het recht op gezondheid van drugsgebruikers en de samenleving beschermt (harm reduction wordt in NL opgevat als scheiding der markten, elders als methode bij harddrugs verslaving behandelingen).

Eigen aan wetenschappelijk beleidsonderzoek is dat de aanvrager, met inachtneming van de wetenschappelijke code waaraan de onderzoeker gehouden is, invloed heeft op de onderzoeksvraag en op de kaders waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd (terwijl het toch echt de tweede kamer* is die de aanvrager is en niet het Ministerie. HK). Het Ministerie van JenV heeft inderdaad invloed gehad op de vraagstelling en kaders (net als bij het Asser Instituut dus. HK, zie Fresh TV docu van Steven Kompier).

In de drie door de commissie bestudeerde onderzoeken is die invloed in de voorbereidingsfase van deze onderzoeken op verschillende wijzen terug te zien. Zo was er sprake van overleg tussen medewerkers van JenV en het wodc over de (her)formulering van onderzoeksvragen, de samenstelling van de begeleidingscommissie (mbt de B & I criterium evaluatie), aanpassing van de onderzoeksopzet na een koerswijziging in het drugsbeleid en over de gunning van de onderzoeksopdracht ten gunste van het Asser Insitituut. Inzake de gunning was deze beïnvloeding onbehoorlijk; deze poging had echter niet het beoogde effect, daar deze uiteindelijk toch door de Radboud Universiteit werd uitgevoerd.

Ook tijdens de uitvoering van de betreffende onderzoeken heeft het Ministerie van JenV invloed gehad op het door haar aangevraagde onderzoek. De commissie komt in de drie door haar onderzochte cases tot het oordeel dat daarin inderdaad een enkele keer sprake was van onbehoorlijke beïnvloeding, dat dit incidenten betrof die plaatsvonden onder hoge druk in een politiek gevoelig dossier en dat deze voorvallen als zodanig niet hebben afgedaan aan de betrouwbaarheid van de onderzoeken.

Om herhalingen te voorkomen acht de commissie het wenselijk dat opdrachtgevers aan externe onderzoekers steeds vooraf eenduidig en glashelder duidelijk maken wat van hen binnen het gegeven tijdsbestek en de beschikbare middelen wordt verwacht, niet meer en niet minder. Wat uiteraard niet wegneemt dat het de wetenschapper in voorkomende gevallen vrij staat te weigeren of in ander verband te onderzoeken en te publiceren wat hem of haar goeddunkt. Transparantie en controleerbaarheid van de in dit type beleidsonderzoek onvermijdelijke, en zelfs wenselijke contacten tussen beleidsmakers en onderzoekers is onmisbaar.

Concreet en toegespitst op de relatie tussen het Ministerie van JenV en het wodc komt de commissie tot de volgende aanbevelingen: 

- Zorg ervoor dat bij onderzoek dat door wodc zelf op aanvraag wordt uitgevoerd, met name in politiek gevoelige kwesties, de functie van trait d’union niet belegd is bij (één van) de onderzoekers;
- Verduidelijk de rol van met name beleidsambtenaren in de begeleidings- commissies en zie er op toe dat daarnaar wordt gehandeld;
- Kom omwille van de hiervoor genoemde transparantie en controleerbaarheid, bij het wodc tot professionalisering van het projectmanagement, met name omvattende een systematisering en archivering van de contacten met het Ministerie van JenV over de vraagstelling, opzet en uit- voering van onderzoek dat op aanvraag van het ministerie wordt aanbesteed of uitgevoerd.

*Curieus is dat er geen aanbeveling is vanuit de commissie om bij verzoeken voor onderzoeken omtrent het drugsbeleid vanuit de tweede kamer de kamer zelf de vraagstelling te laten formuleren en de kaders van het onderzoek af te bakenen; dus zou het onderzoeksbudget ook naar de kamer moeten en niet worden belegd bij en via het Ministerie van JenV (zie ook twit @tblickman op 4-11-2018 die stelt dat de tweede kamer zelf het opdrachtkader dient te formuleren en het onderzoeksbudget in eigen beheer krijgt). 

Bron: oktober 2018 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/10/31/tk-bijlage-betrouwbaar-onderzoekscommissie-wodc-i-inzake-deugelijkheid-drugsonderzoeken